Advocaten

Internationale rechtshandhaving en wederzijdse rechtshulp

Grensoverschrijdende rechtshandhaving wordt steeds belangrijker in de nasleep van globalisering en digitalisering. Vooral op het gebied van georganiseerde criminaliteit, terrorisme, cybercriminaliteit en witwassen vinden operaties vaak internationaal plaats. Daarom zetten rechtshandhavingsinstanties ook in op grensoverschrijdende opsporings- en handhavingsmaatregelen en internationale samenwerking.

Een van de centrale instrumenten in de Europese wederzijdse rechtshulp is de Europees aanhoudingsbevel (EAB), die snelle Arrestatie en overbrenging van personen tussen EU-lidstaten Zelfs na twee decennia en verschillende gerechtelijke uitspraken over deze kwestie – bijvoorbeeld de Federaal Constitutioneel Hof in 2005 als gevolg van een advocaat Gül Pinar Nederlands Juridische onduidelijkheden bestaan er nog steeds in dit opzicht, ondanks de succesvolle constitutionele klacht die de toenmalige Wet op het Europees aanhoudingsbevel nietig verklaarde vanwege een schending van artikel 2 (1) in samenhang met artikel 20 (3), artikel 16 (2) en artikel 19 (4) van de Grondwet. In 2019 oordeelde het Europees Hof van Justitie (HvJ-EU) naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 VWEU dat het Duitse Openbaar Ministerie niet voldeed aan de vereisten van een onafhankelijke rechterlijke autoriteit overeenkomstig artikel 6 (1) van het Kaderbesluit betreffende het EAB. De reden was dat zij mogelijk onderworpen waren aan instructies van de uitvoerende macht. Daarom mogen officieren van justitie in Duitsland momenteel geen Europese aanhoudingsbevelen uitvaardigen – dit is uitsluitend de verantwoordelijkheid van onafhankelijke rechterlijke autoriteiten. De kwestie is momenteel nog steeds onderwerp van juridisch beleidsdebat; in 2024 presenteerde het Bondsministerie van Justitie een wetsontwerp voor de hervorming van de Wet op het internationaal aanhoudingsbevel.

Met de goedkeuring van 2024 van E-bewijsverordening werd opgericht door de Europese Unie nieuw juridisch instrument voor efficiëntere grensoverschrijdende bewijsvergaring in de digitale ruimte Dit maakt het voor rechtshandhavingsinstanties gemakkelijker om rechtstreeks toegang te krijgen tot digitaal bewijsmateriaal van dienstverleners. De betrokkenheid van de uitvoerende lidstaat zou alleen in uitzonderlijke gevallen moeten plaatsvinden, indien de dienstverlener weigert de gegevens vrij te geven. Een specifiek probleem hierbij is dat particuliere dienstverleners vaak niet in staat zijn de rechtmatigheid van dergelijke bevelen, die inbreuk maken op fundamentele rechten, te verifiëren. De Verordening E-bewijs is daarom – en terecht – zeer controversieel. De bepalingen van de verordening leiden tot het verlies van rechten van betrokkenen en verergeren het probleem van gegevensbewaring. Bovendien zijn er aanzienlijke zorgen over een gebrek aan rechterlijke toetsing vanwege het ontbreken van rechterlijke toetsing, een gebrek aan bescherming van fundamentele rechten voor betrokkenen en onvoldoende juridische verhaalsmogelijkheden.

De grensoverschrijdende activa-inning heeft tot doel de winsten uit georganiseerde en economisch gemotiveerde criminaliteit – ook uit het buitenland – af te pakken. Het gaat hierbij niet alleen om traditionele gevallen van witwassen of drugscriminaliteit, maar steeds vaker ook om cybercriminaliteit, corruptie of fraude, waarbij aanzienlijke activa – zoals cryptovaluta – via digitale kanalen worden overgedragen.

Met de Richtlijn inzake het terugvorderen en in beslag nemen van activa De Europese Unie streeft ernaar de voorheen sterk gefragmenteerde regelgeving inzake de ontneming van vermogensbestanddelen in de lidstaten te harmoniseren. De belangrijkste elementen zijn de invoering van uniforme normen voor de confiscatie, bevriezing en het beheer van vermogensbestanddelen. De definitie van "vermogen" is ruim gedefinieerd volgens artikel 3, lid 2, van de richtlijn; met name wat betreft cryptoactiva omvat dit ook vermogensbestanddelen die kunnen worden omgezet en overgedragen om hun herkomst te verhullen. Artikel 13 van de richtlijn staat ook confiscatie toe bij een derde aan wie de opbrengsten of vermogensbestanddelen direct of indirect door de verdachte of beklaagde zijn overgedragen. De richtlijn moet uiterlijk in november 2026 in nationaal recht zijn omgezet.

Ook in dit opzicht roept de beoogde toename van de effectiviteit van vermogensontneming aanzienlijke juridische zorgen op: in veel gevallen bestaat er geen effectieve procedure voor het toetsen van de inbeslagnamemaatregelen. Deze maatregelen zijn vaak niet transparant, worden uitgevoerd zonder overleg met de betrokkenen en bieden slechts beperkte rechtsbescherming. Het risico op inmenging in de eigendomsrechten van niet-betrokken derden – zoals familieleden of zakenpartners – is groot, omdat het onderscheid tussen legale en illegale activa vaak moeilijk te maken is. Bovendien zullen er in de lidstaten verschillende interpretaties en procedures blijven bestaan; dit betreft bijvoorbeeld de vereisten voor een eerste verdenking of de (evenredige) duur van een aanhoudingsbevel.

Advocaten