Advocaat in uitleveringsdetentie in Hamburg
Naast voorlopige hechtenis worden in de gevangenis van Hamburg ook personen vastgehouden voor wie een uitleveringsbevel is uitgevaardigd. Uitleveringsdetentie is een speciale vorm van detentie die bevolen wordt om de uitlevering van een persoon aan een andere staat te waarborgen. Het dient om te voorkomen dat de persoon zich aan de uitleveringsprocedure onttrekt indien er een uitleveringsverzoek tegen hem is ingediend. Uitlevering verwijst naar de overlevering van een persoon door de ene staat aan een andere om hem te vervolgen (strafrechtelijke vervolging) of te straffen (bestraffing) voor een misdrijf.
In Duitsland kunnen buitenlandse burgers onder bepaalde voorwaarden worden uitgeleverd of overgedragen aan andere landen. De precieze definitie hangt ervan af of het andere land lid is van de Europese Unie. Uitlevering van eigen burgers aan een staat die geen deel uitmaakt van de EU is verboden op grond van artikel 16, lid 2, eerste zin, van de Grondwet (Grundgesetz). Dit betekent dat Duitsland zijn eigen burgers niet uitlevert; in plaats daarvan voert de Duitse staat doorgaans zelf de vervolging uit.
Uitleveringsprocedures
De uitleveringsprocedure begint doorgaans met een schriftelijk uitleveringsverzoek van de verzoekende staat. Binnen de Europese Unie wordt de samenwerking gefaciliteerd door een Europees aanhoudingsbevel.
Bundesgerichtshof, uitspraak van 8 juli 2025 (zaak nr. 3 StR 192/25) over de voorwaarden voor een Europees aanhoudingsbevel voor seriecriminelen:
In zijn uitspraak van 8 juli 2025 oordeelde het Bundesgerichtshof dat de eisen voor de beschrijving van de feiten in een Europees aanhoudingsbevel bij seriedelicten over het algemeen lager liggen dan die voor een binnenlands aanhoudingsbevel of een tenlastelegging. Bij een groot aantal vergelijkbare delicten volstaat het dat het Europees aanhoudingsbevel een beschrijving bevat van de totale periode van het delict, de locaties van de delicten, de structuur van de personeelsgroep en de betrokkenheid van de betrokkene daarbij, de modus operandi en het aantal seriedelicten, alsmede een zinvolle exemplarische beschrijving van individuele delicten.
Een uitleveringsprocedure kan worden onderverdeeld in de fase van de toetsing van de toelaatbaarheid enerzijds en de fase van het goedkeuringsbesluit anderzijds.
- Toelaatbaarheidscontrole: De Hogere Landesgericht (OLG) – in Hamburg de Hogere Landesgericht Hanze (HansOLG) – onderzoekt of aan de wettelijke voorwaarden voor uitlevering is voldaan. De belangrijkste vragen zijn of de overgelegde documenten voldoende zijn, of het betreffende misdrijf in Duitsland erkend is en of er juridische belemmeringen zijn zoals dubbele vervolging, verjaring of politieke bescherming. Deze procedure is niet de feitelijke beoordeling van het misdrijf, maar eerder de vaststelling of uitlevering überhaupt toelaatbaar is.
- Goedkeuringsbesluit: Na een succesvolle ontvankelijkheidstoetsing beslist de bevoegde autoriteit – de rechterlijke instantie – of uitlevering wordt toegestaan. Indien dit wordt goedgekeurd, wordt de persoon overgedragen aan de buitenlandse staat; anders wordt het verzoek afgewezen.
Voordat de beslissing wordt genomen, kan de uit te leveren persoon – de zogenaamde vervolgde persoon – de dossiers inzien en zich juridisch verdedigen tegen uitlevering. Omdat de hele procedure echter lang kan duren, wordt uitleveringsdetentie bevolen om uitlevering te waarborgen, d.w.z. om te voorkomen dat de uit te leveren persoon zich aan uitlevering onttrekt. Er kan al een internationaal aanhoudingsbevel van kracht zijn, of er kan een voorlopige hechtenis hebben plaatsgevonden. De hele procedure is gebonden aan termijnen; zo moet een beslissing over de toelaatbaarheid van uitlevering in de regel binnen 60 dagen na de arrestatie worden genomen door de Oberlandesgericht, of in Hamburg door de Hanzehof.
Indien uitlevering wordt toegestaan, wordt de gezochte persoon overgedragen aan de autoriteiten van de staat die om uitlevering heeft verzocht. Onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld indien een schending van fundamentele rechten kan worden aangevoerd, is het mogelijk om een grondwettelijke klacht in te dienen tegen het uitleveringsbesluit. Helaas hebben grondwettelijke klachten zelden een reële kans op succes. Het indienen van een grondwettelijke klacht is echter de enige manier om het besluit over de toelaatbaarheid van de uitlevering aan te vechten.
Obstakels voor uitlevering
Indien er een belemmering voor uitlevering bestaat, kan uitlevering in een individueel geval niet toegestaan zijn. Belemmeringen voor uitlevering worden geregeld in de Wet op de internationale rechtshulp in strafzaken en vloeien ook voort uit constitutionele beginselen.
Uitlevering is met name niet toegestaan in de volgende gevallen:
- als de gezochte persoon in de verzoekende staat met marteling of onmenselijke behandeling wordt bedreigd
- bij dreigende politieke of constitutionele vervolging, bijvoorbeeld vanwege ras, religie, nationaliteit (Artikel 6 (2) IRG)
- in het geval van strafbare feiten die betrekking hebben op het schenden van militaire plichten (artikel 7 IRG)
- als de doodstraf wordt bedreigd (§ 8 IRG)
- bij dreiging van dubbele bestraffing (Artikel 9 Nr. 1 IRG)
- indien het misdrijf volgens het Duitse recht verjaard is (artikel 9 nr. 2 IRG)
De hogere regionale rechtbanken, die moeten beslissen over de toelaatbaarheid van uitlevering, zijn verantwoordelijk voor het onderzoek indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er in een specifiek geval een belemmering voor uitlevering bestaat. Doorgaans wordt het Openbaar Ministerie verzocht om via de gerechtelijke autoriteit informatie en toezeggingen te verkrijgen door middel van een zogenaamde mondelinge nota aan de gerechtelijke autoriteit van de zogenaamde verzoekende staat.
Bundesverfassungsgericht, uitspraak van 21 mei 2024 (zaaknr. 2 BvR 1684/23) over de informatie- en controleplicht van de rechtbanken:
De jurisprudentie van het EHRM over de informatie- en onderzoeksplicht van de rechtbanken die een uitzettingsbevel behandelen op grond van artikel 3 EVRM, kan worden toegepast op uitleveringen (in dit geval: aan Turkije). Het is onverenigbaar met deze jurisprudentie om af te zien van het raadplegen van een deskundige, aangezien de betrokkene reeds een zelfmoordpoging heeft ondernomen, door te verwijzen naar de mogelijkheid van psychologische ondersteuning in Turkije, ook al ondersteunen de overgelegde medische rapporten de veronderstelling dat er, indien de uitlevering plaatsvindt, een reëel risico bestaat op een verdere zelfmoordpoging tijdens het transport.
Niettemin is het in onze ervaring herhaaldelijk noodzakelijk om in uitleveringsprocedures de rechter expliciet te wijzen op deze onderzoeks- en verhelderingsplicht. Deze plicht geldt met name alleen als de rechter over voldoende concrete aanwijzingen beschikt dat er een belemmering voor uitlevering bestaat. Het is daarom raadzaam om ervaren uitleveringsadvocaten in te schakelen die weten wat er in een uitleveringsprocedure moet worden gepresenteerd en welke verdedigingsstrategieën kans van slagen hebben.
Met welke landen bestaat er een uitleveringsverdrag?
De Bondsrepubliek Duitsland heeft met tal van landen internationale uitleveringsverdragen gesloten. Deze verdragen bepalen de voorwaarden waaronder uitlevering kan plaatsvinden.
Voor uitleveringen tussen lidstaten van de Europese Unie (EU) en Duitsland is er met name het Europees Uitleveringsverdrag van de Raad van Europa uit 1957 (het zogenaamde Europees Uitleveringsverdrag, kortweg EuAlÜbk), waartoe verschillende landen inmiddels zijn toegetreden. Lidstaten van dit verdrag zijn onder meer Albanië, Georgië, Israël, Macedonië, Rusland, Zwitserland, Servië, Zuid-Afrika en Turkije.
Voor derde landen gelden strengere normen. Duitsland heeft zogenaamde bilaterale verdragen gesloten met onder andere de VS, Mexico, Canada, Kenia en Tunesië. Ook met bijvoorbeeld Egypte, Algerije, Jemen, Marokko, Congo, Syrië en de Verenigde Arabische Emiraten vinden uitleveringen plaats op basis van een verdrag.
Bijzondere vereisten voor uitlevering, met name het specialiteitsbeginsel
Volgens het wederkerigheidsbeginsel (artikel 5 IRG) moet het strafbare feit waarvoor de gezochte persoon moet worden uitgeleverd, niet alleen een strafbaar feit zijn in de verzoekende staat, maar ook in de aangezochte staat, artikel 2 IRG.
Van bijzonder belang is de naleving van het specialiteitsbeginsel van artikel 11 van de Wet op het Internationaal Strafhof (IAG). Volgens dit beginsel is uitlevering alleen toegestaan als gegarandeerd kan worden dat de vervolgde persoon in de verzoekende staat niet zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die waarvoor uitlevering is verleend zonder toestemming van de aangezochte staat. Bovendien mag de vervolgde persoon niet zonder toestemming worden uitgeleverd of gedeporteerd naar een derde staat.
Bundesgerichtshof, uitspraak van 5 maart 2025 (zaak nr. 1 StR 25/25) over het specialiteitsbeginsel:
Indien de vervolgde persoon niet in de onderhavige strafzaak is uitgeleverd, maar op basis van een Europees aanhoudingsbevel voor de tenuitvoerlegging van een in een andere procedure onherroepelijk geworden vrijheidsstraf, en niet heeft afgezien van de naleving van het specialiteitsbeginsel, vormt de schending van het specialiteitsbeginsel geen belemmering voor de detentieprocedure – anders dan bij uitleveringsovereenkomsten met staten die geen lid zijn van de Europese Unie. In plaats daarvan vormt de schending van een Europees aanhoudingsbevel slechts een belemmering voor de tenuitvoerlegging en een verbod op vrijheidsbeperkende maatregelen. Dit betekent dat een onherroepelijke vrijheidsstraf niet ten uitvoer mag worden gelegd totdat de schending van het specialiteitsbeginsel is opgeheven.
Bundesgerichtshof, uitspraak van 26 juni 2024 (zaaknr. 1 StR 10/24) over de schending van het specialiteitsbeginsel door het opnemen van een eerdere veroordeling in een totale straf:
In zijn uitspraak van 26 juni 2024 oordeelde het Bundesgerichtshof dat strafbare feiten uit eerdere veroordelingen die niet vatbaar zijn voor uitlevering, niet in een latere strafmaat mogen worden opgenomen samen met de strafbare feiten die aan de uitlevering ten grondslag liggen, omdat er in dit opzicht een belemmering voor de tenuitvoerlegging bestaat. Het opnemen ervan in een strafmaat vormt een schending van het specialiteitsbeginsel. Bovendien oordeelde het Bundesgerichtshof dat, bij gebrek aan andere aanwijzingen, de uitdrukkelijke toestemming voor overlevering voor de in het Europees aanhoudingsbevel vermelde strafbare feiten in beginsel niet ook kan worden uitgelegd als een "uitdrukkelijke afstand" van het specialiteitsbeginsel.
Hogere regionale rechtbank van Hamburg, uitspraak van 17 augustus 2023 (zaaknr. Ausl 63/22) over het specialiteitsbeginsel bij uitlevering aan de VS:
In zijn uitspraak van 17 augustus 2023 oordeelde de Oberlandesgericht Hamburg (HansOLG) dat een poging om iemand te vervolgen voor andere strafbare feiten of voor strafbare feiten die zouden leiden tot verzwarende omstandigheden, in strijd was met het strafverbod zoals vastgelegd in artikel 22 van het Duits-Amerikaanse Uitleveringsverdrag. Aangezien de Verenigde Staten dit beginsel in deze zaak waarschijnlijk zouden schenden, wees de Oberlandesgericht Hamburg de uitlevering af. De zaak betrof beschuldigingen van schending van Amerikaanse embargo's en smokkel.
Uitleveringsdetentie
Het bevel tot uitleveringsbewaring op grond van artikel 15 van de Wet op het Internationaal Strafrecht (IRG) dient ter beveiliging van een uitlevering (die later plaatsvindt, d.w.z. zodra een beslissing is genomen over de toelaatbaarheid en goedkeuring van de uitlevering). Hiervoor wordt een uitleveringsbevel uitgevaardigd. Dit is meestal gebaseerd op een reeds uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel of een internationaal aanhoudingsbevel van Interpol (de zogenaamde Red Notice).
In de overgrote meerderheid van de gevallen is een uitleveringsbevel gebaseerd op het doel om te voorkomen dat de vervolgde persoon zich tijdens de lopende procedure aan uitlevering onttrekt (risico op onderduiken), artikel 15 (1) nr. 1 van de Wet op het Internationaal Strafhof (IRG). Bovendien kan uitleveringsbevel ook worden bevolen op grond van artikel 15 (1) nr. 2 van de IRG indien op basis van bepaalde feiten een sterk vermoeden bestaat dat de vervolgde persoon het waarheidsonderzoek in een uitleveringsprocedure of in een buitenlandse procedure zal belemmeren (risico op verduistering van bewijsmateriaal).
In Hamburg huisvest het Hamburger Voorarrest (Holstenglacis 3-5) niet alleen personen in voorlopige hechtenis, maar ook personen tegen wie een dergelijk uitleveringsbevel is uitgevaardigd. Juridische stappen tegen een uitleveringsbevel zijn mogelijk. Het is denkbaar – met geschikte, ervaren advocaten in uitleveringsprocedures – dat het uitleveringsbevel wordt ingetrokken of in ieder geval wordt opgeschort.
Krediet voor uitleveringsdetentie in het buitenland
Als iemand in Duitsland, bijvoorbeeld in Hamburg, voor een misdrijf is veroordeeld en eerder in het buitenland in voorarrest heeft gezeten in afwachting van uitlevering, kan deze uitleveringsdetentie in aanmerking worden genomen. Dit geldt met name voor gevallen waarin de later veroordeelde persoon eerst op de vlucht was en vervolgens in het buitenland is opgepakt. Voordat hij naar Duitsland wordt overgebracht, kan hij tot enkele maanden in buitenlandse detentiefaciliteiten verblijven.
De toerekening van in het buitenland ondergaan uitleveringsdetentie is geregeld in artikel 51, lid 4, zin 2 van het Duitse Wetboek van Strafrecht. De rechtbank bepaalt naar eigen goeddunken de maatstaf voor toerekening. In beginsel wordt in het buitenland ondergaan uitleveringsdetentie (slechts) in een verhouding van 1:1 meegerekend bij de binnenlandse gevangenisstraf. Een voorkeurstoerekening, bijvoorbeeld in een verhouding van 2:1 of zelfs 3:1, wordt alleen overwogen indien er in het buitenland sprake was van zware, aantoonbaar onmenselijke detentieomstandigheden. De relevante omstandigheden moeten concreet worden gepresenteerd. Daarom is het raadzaam om voor uw verdediging de deskundige bijstand in te schakelen van ervaren advocaten in het strafrecht en uitleveringsrecht.
Federaal Hof van Justitie, uitspraak van 10 mei 2025 (zaak nr. 5 StR 103/25) over de toekenning van uitleveringsdetentie in Hongarije:
In zijn uitspraak van 10 mei 2025 stelde het Federale Hof van Justitie dat het dictum van het arrest de maatstaf voor de berekening van de uitleveringsdetentie moet specificeren, aangezien de beslissing over de maatstaf voor de berekening van de uitleveringsdetentie een constitutief effect heeft. Indien de verdachte in Hongarije in uitleveringsdetentie heeft gezeten voor het betreffende strafbare feit, moet dit worden verrekend met een eventuele opgelegde gevangenisstraf in een verhouding van 1:1.
Bundesgerichtshof, uitspraak van 22 oktober 2024 (zaak nr. 5 StR 377/24) over het toekennen van uitleveringsdetentie die geen verband houdt met de procedure:
In zijn uitspraak van 22 oktober 2024 heeft het Federale Hof van Justitie verduidelijkt dat zelfs detentie in afwachting van uitlevering die formeel geen verband houdt met de procedure, in aanmerking moet worden genomen indien deze een gunstig effect heeft gehad op de betreffende strafprocedure en daarmee een zogenaamde functionele procedurele eenheid vormt. In de onderhavige zaak werd de verdachte in Letland in afwachting van uitlevering vastgehouden voor een zaak die later in de veroordeling in Duitsland is opgenomen.
Strafrechtelijke verdediging in uitleveringsprocedures
Als persoon die wordt vervolgd in een uitleveringsprocedure, heeft u te allen tijde recht op juridische bijstand, conform artikel 40 (1) van de Wet op het Internationaal Strafhof (IAG). Indien de persoon die wordt vervolgd zich in uitleveringsbewaring bevindt, is juridische bijstand zelfs vereist conform artikel 40 (2) van de IRG, wat betekent dat de rechtbank een advocaat moet toewijzen. Vanwege de vele bijzondere kenmerken van uitleveringsprocedures is het raadzaam om altijd een advocaat te raadplegen. Dit geldt met name in het geval van uitleveringsbewaring, d.w.z. indien er reeds een uitleveringsbevel is uitgevaardigd, of in het geval van een voorlopige hechtenis op grond van een Europees aanhoudingsbevel of een Interpol Red Notice. Als ervaren advocaten in het uitleveringsrecht staan wij u graag in een vroeg stadium bij – met name in het geval van uitleveringsbewaring in Hamburg of indien u te maken krijgt met een uitleveringsbevel uitgevaardigd door het Hof van Cassatie Hanze.
